Monument voor bemanning Lancaster NF923
Op 23 september 2026 is een monument onthuld nabij Vordensebinnenweg 3 in Lochem ter herinnering aan de daar neergestorte Britse bommenwerper.


In de nacht van 23 op 24 september 1944 kwam de 23 jarige Britse piloot Geoffrey Stevenson Stout op die plek om het leven toen hij neerstortte met zijn Lancaster I bommenwerper NF923.
Het toestel van het 617 Squadron ‘Dam Busters’ kwam van een missie bij Ladbergen in Duitsland. Daar had de bemanning het beoogde doel niet kunnen vinden en dus vloog men terug naar de thuisbasis Woodhall Spa in Engeland.
Boven Nederland werd het toestel geraakt door het geschut van een Duitse nachtjager, waardoor drie motoren uitvielen en brand in het bommenruim ontstond.
De piloot instrueerde de bemanning in de buurt van Markelo om de ongebruikte bom te laten vallen en het vliegtuig te verlaten, terwijl hij het toestel in bedwang hield tot hij buiten Lochem neerstortte.
Piloot Geoffry Stevenson Stout (23) kwam om doordat hij met het vliegtuig neerstortte bij Lochem. Mogelijk heeft hij eerst de bebouwde kom van Lochem achter zich willen laten, maar het kan ook zijn dat het, na het springen van de andere bemanningsleden, voor hem gewoon te laat was. Hij is begraven in een oorlogsgraf op de Nieuwe Begraafplaats in Lochem.
Navigator Clyde Euan Miles Graham (23) was waarschijnlijk al in het vliegtuig zwaar gewond geraakt en overleefde zijn parachutesprong niet. Hij kwam neer in Holten, waar hij oorspronkelijk ook werd begraven, samen met vliegers uit Lancaster LL901 van dezelfde missie, die was neergestort bij de Populierendijk in Holterbroek. Pas later is zijn lichaam correct geïdentificeerd en is hij begraven op de oorlogsbegraafplaats in Oosterbeek.
Boordwerktuigkundige Alan William Benting (22) raakte zwaar gewond bij zijn landing in Markelo en overleed enkele dagen later in het ziekenhuis in Enschede. Hij ligt begraven in een oorlogsgraf op de Oosterbegraafplaats aldaar.
De Canadese bommenrichter William A. Rupert (22?) landde ongedeerd op de Markeloseberg en wist met hulp van de familie Roelvink een onderduikadres te vinden op de Buisweerd van de familie Kolkman in de Larense Broek. Halverwege oktober werd het op de Buisweerd te gevaarlijk en moesten alle onderduikers op andere adressen worden ondergebracht. Zo had Rupert nog een aantal verschillende onderkomens voordat hij de bevrijding meemaakte bij de familie Wassink in Eibergen-Holterhoek.
Ook boordschutter Peter Linn Whittaker (21) was ongedeerd op de Markeloseberg geland en ondergebracht op de Buisweerd; in zijn geval met hulp van de familie Ebbekink van boerderij ‘t Peurtje in Markelo. Vandaar verhuisde hij naar boerderij Koeslag, maar werd daar, samen met heel wat andere onderduikers, overvallen en gevangen genomen door de Landwacht en Duitse soldaten. Hij zag verschillende gevangenissen van binnen, maar wist tijdens een transport te ontsnappen. Hij werd bevrijd op de boerderij van de familie Berenschot in Halle bij Zelhem.
Staartschutter Reginald Herbert Petch (22?) kwam neer in Hellendoorn en werd opgemerkt door een ‘goede’ Nederlander. Deze E. de Ruijter, gekleed in Duits uniform, begeleidde hem naar het huis van de familie Geerlings in Nijverdal waar hij bleef tot de bevrijding.
Radioman Ronald James Allen (23) was waarschijnlijk de laatste die nog wist te springen, want hij zou bij Lochem geland en direct in handen van de Duitsers gevallen zijn. Hij is aan het eind van de oorlog door Russen bevrijd uit krijgsgevangenenkamp Stalag Luft I in Barth-Vogelsang.
