Herberg de Dollehoed in Barchem

Op 29 augustus 1685 wordt volgens het doopboek van Lochem een zoon geboren van ‘Jan in die Swaene, alias Dollenhoett in Berchem’. Het is de vroegste vermelding van herberg de Dollehoed, Dolle Hoed of Dollenhoett, halverwege tussen Lochem en Barchem.

Dit is een samenvatting van artikelen door Jan Klein Egelink (1993/94), André Reincke (2006) en Eddy ter Braak (2017) in Belvédère en Land van Lochem.

De alternatieve benaming ‘die Swaene’ doet vermoeden dat het toen al ging om een herberg of uitspanning en dat idee wordt bevestigd doordat in 1694 ‘den Weerdt op den Dollen Hoedt’ wordt beboet, nota bene omdat hij zich te vroegh totten bijslaaep met sijn tweede off toecoomende vrouw sigh hadde begeven’.  Over de herkomst van de naam Dollehoed doen verschillende theorieën de ronde, maar er schijnt ooit een met linten versierde hoed aan de gevel gehangen te hebben, zoals die gedragen werd door zogenaamde ‘brulftsneugers’ als ze familie en vrienden van een bruidspaar naar de feestzaal kwamen uitnodigen.

Erve Boevink

De herberg maakte onderdeel uit van een groot stuk landerijen en boerderijen, in de 14e eeuw bekend als ‘Boynk’ en later als erve Boevink. Het was tot 1907 in eigendom bij kasteelheren als Salomon van Keppel en gegoede Lochemse burgerfamilies als Olmius en Staring. Pachters noemden zich tot ongeveer 1800 soms Bo(e)vin(c)k en dan weer Dollenhoet. In de loop van de tijd kwam het logement steeds meer los te staan van de rest van de bezittingen.

Schoneveld

De eerste volkstellingslijsten geven aan dat in de periode 1795-1813 als hoofdbewoner een zekere Jan Willem Runneboom, geboren 25-3-1759, de scepter zwaaide. Hij was gehuwd met Derksken Nijhof, geboren 9-3-1755. Hun schoonzoon koos bij het eerste officiële bevolkingsregister in 1812 de naam Albert Keppels. Diens oudste zoon Jan Willem Keppels overleed vroeg en zijn weduwe Anneke Lindenboom hertrouwde met Hendrik Schoneveld (1824-1897). Van 1855 tot 1865 woonde de familie Schoneveld op de Dollehoed. Reden genoeg om de langs de uitspanning lopende weg de Schoneveldsdijk te noemen.

In die periode sleet dr Johann Franz Rive zijn laatste dagen in de Dollehoed, waar hij de verzorging kreeg die in zijn huis in de Lochemse binnenstad niet kon worden geboden. Hij overleed er in 1861.

Hotel

In 1865 werden Derk Wunderink en Garritdina Catrina Garritsen, in datzelfde jaar getrouwd,  uitbaters van de Dollehoed. Derk kwam uit een familie van herbergiers uit Toldijk, waar de familie tot op de dag van vandaag herberg en zaal ‘Den Bremer’ beheert. In de ruim twintig jaar dat de Wunderinks op de Dollehoed zaten werd ook hun zoon Garrit Jan actief in de zaak. Met hen begon de Dollehoed langzamerhand aan een succesperiode.

In hun tijd ging de stoomtram rijden van Deventer naar Borculo met een halte bij de Dollehoed. Als uitspanning was de Dollehoed al een gewilde bestemming voor schoolreisjes en het opkomend toerisme werd door Wunderink aangegrepen om het logement ook voor langer verblijf onder de aandacht te brengen. Voor de extra te verwachten gasten werd schuin achter de oorspronkelijke herberg een gastenverblijf gebouwd.

In 1888 vertrok de familie naar Borculo. De inboedel van het logement werd in de verkoop gezet. Zoon Garrit Jan werd in Borculo stationschef en vader Derk uitbater van het Stationskoffijhuis. De eerste overleed, 25 jaar jong, al in 1891, de tweede in 1893.

Kloosterboer

Onder opvolgers Gerrit Willem Kloosterboer en zijn echtgenote Wilhelmina Hulscher werd de uitspanning een echt hotel. De nieuwe bewoners lieten het logement voor eigen rekening vergroten en moderniseerden de inrichting. Er kwam een nieuwe inventaris. Geleidelijk kwamen er dan ook meer gasten, vooral lieden die behoefte hadden aan frisse, gezonde lucht. Het hotel was immers bekoorlijk gelegen te midden van dichte beuken- en dennenbossen.

In 1890 wist de Javabode te melden: “Wanneer ‘s zomers de boomen met prachtig groen prijken, trekt Zondags bij mooi weer de geheele gemeente Lochem, jong en oud, patriciër en plebejer, boer en stedeling, naar dit interessante punt om te genieten van de schoone natuur en onder een kopje thee, een glas gerste bier of een kan versche melk de beslommeringen van afgelopen week te vergeten”.

Vanaf de tramhalte Dollehoed was het een mooie wandeling naar de Belvédère die door het Verfraaiingsgezelschap op de Lochemseberg was opgericht. De toegang naar die toren – eerst een houten stellage en later een gemetseld bouwwerk – was verpacht aan de uitbater van het hotel. Herberg en gastenverblijf waren inmiddels tot één geheel verbonden.

Behalve het echtpaar Kloosterboer kwamen er steeds meer personeelsleden in het hotel te werken. Kelners, schoonmakers en tuinlieden. Er waren soms wel 26 mensen in dienst. Geen overbodige luxe wanneer met Hemelvaart of Pinksteren allerlei verenigingen er een vrolijke dag doorbrachten en wanneer de stoomtram kinderen naar de stoomcarrousel in de tuin van de Dollehoed had vervoerd. Of wanneer Aeolus of Advendo er een zomerconcert gaven.

Het waren deze jaren rond 1900 de hoogtijdagen van de Dollehoed.

Eigenaar

Het leek allemaal nog mooier te worden toen de eigenaar van de gebouwen in 1907 “Het alom gunstig bekende Hôtel met uitspanning ‘De Dollehoed’” ter veiling aanbood en uitbater Kloosterboer het in eigendom wist te bemachtigen. Voor een bedrag van Fl 38.630,-. Het hotel floreerde volop, zelfs de eerste jaren nadat drijvende kracht Gerrit Willem in 1913 was overleden. Maar de weduwe en haar twee zonen wisten de gang er toch niet in te houden. In 1926 ging de onderneming zelfs failliet.

P.W. Janssen

Op huize ‘Onland’, vlak bij de Dollehoed, woonde het echtpaar Van der Harst-Janssen. Clara Elisabeth Janssen was de dochter van de Amsterdamse handelaar Peter Wilhelm Janssen (1821) die  fortuin had gemaakt met onder meer graanhandel met Odessa en met een tabaksplantage op Deli (Nederlands-Indië). Net als haar vader vond Clara dat dat fortuin ook voor anderen bestemd moest worden. In Almen had het echtpaar al het P.W. Janssen ziekenhuis opgericht en na het faillissement van de Dolle Hoed kochten zij het gebouw voor de stichting Pro Senectute die er een verzorgingshuis voor ouderen inrichtte: het P.W. Janssenhuis.

Meer dan een halve eeuw zou de stichting huisvesting en zorg bieden aan senioren die zich dat konden veroorloven en die een ‘brede maatschappelijke en culturele belangstelling’ hadden.

Een nieuwe Dolle Hoed

Willemina Kloosterboer-Hulscher liet zich intussen door het faillissement niet uit het veld slaan. Op een stuk grond dat nog in haar bezit was liet zij op korte afstand van het oorspronkelijke hotel een nieuwe Dolle Hoed bouwen. Op 1 mei 1928 was de opening van het nieuwe, aanmerkelijk kleinere hotel met zoon Gerard Willem aan het hoofd.

In 1931 trouwde hij met Margaretha Elisabeth Flötman, tot dan toe huishoudster in het hotel. Onder hun leiding ging het best goed met het hotel tot Gerard Willem in 1935 psychische problemen kreeg en uiteindelijk werd opgenomen in Groot Graffel in Warnsveld. Het hotel kwam in handen van de Hengelose Brouwerij, maar voorlopig bracht dat nog geen verbetering. Die kwam pas nadat de brouwerij op 1 mei 1940 de exploitatie had overgedaan aan Hendrik Jan de Graaff van de slagersfamilie in de Bierstraat. Die was kort daarvoor getrouwd met Johanna Hendrika Reerink.

Bezetting en bevrijding

Ondanks de oorlog en bezetting kwamen tot september 1944 veel dagjesmensen en toeristen naar de nieuwe Dolle Hoed. Na Dolle Dinsdag werden in Lochem veel Duitse militairen en beambten ingekwartierd. Zo bivakkeerde in de hongerwinter 1944-45 in de Dolle Hoed een restant van de pantserdivisie die in Normandië had geprobeerd de geallieerden te weerstaan.

Een bataljon van diezelfde geallieerden richtte op 1 april 1945 een tijdelijk commandocentrum in in de bar van het naastgelegen P.W. Janssenhuis – de oude Dollehoed – en verbaasde zich erover dat de oudjes rustig de krant bleven lezen terwijl zij aanstalten maakten Lochem te bevrijden.

Na de Oorlog

De Engelse bevrijders hadden al gemerkt hoe het leven voor de bejaarden in het P.W. Janssenhuis gewoon was doorgegaan. En na de oorlog was dat niet anders. Tot 1981 leverde Pro Senectute er zorg en huisvesting. In dat jaar kwam een nieuw tehuis in Lochem klaar: de Tusselerhof. Alle bewoners verhuisden daarheen.

In de nieuwe Dolle Hoed werd de exploitatie van het min of meer uitgewoonde hotel ter hand genomen door Bernardus Aloysius Otte en Hendrika Antonia Koenders die ertegenover hadden gewoond in de tuinmanswoning van hotel De Lochemse Berg. Zij voerden allerlei vernieuwingen en verbouwingen uit. Nadat het paar uit elkaar was gegaan zette Antonia de zaak alleen voort tot ze in 1973 overleed.

Chun Lin

Na 1973 werd de Dolle Hoed voor de brouwerij uitgebaat door onder meer Gerard en Antoinette Avenarius. Hun kok was Kees Vaandrager. In 1985 zette fotograaf Henk Braakhekke hen op de foto: (te vinden op Erfgoed Zutphen).

In 1991 verkocht de brouwerij het pand aan de familie Eggink die het hotel zelf ging bestieren. Bij hun vertrek in 1995 namen ze de naam Dolle Hoed mee naar Eibergen. Geen probleem voor Rik Lin die er een oriëntaals specialiteitenrestaurant opende onder de naam Chun Lin. Inmiddels wordt het gerund door Peter Pan.

Bon’Aparte

Na het vertrek van de bejaarden stond de oorspronkelijke Dollehoed geruime tijd leeg. Omstreeks 1985 vonden Tamil vluchtelingen uit Sri Lanka er tijdelijk onderdak. Pas in 1993 kreeg het pand weer de oorspronkelijke horecabestemming terug. Hotelondernemer Arne Heitmeijer begon er hotel Bon’Aparte en maakte er onder de Hampshire-formule een succes van. In 2007 verkocht hij het pand aan Gerrit de Vries en Janine Dijkerman, maar onder meer de vereiste investeringen vanwege brandveiligheid brachten de onderneming in de problemen. In 2015 kochten Heitmeijer met compagnon Michiel Bouwens het pand terug. Sindsdien hebben uitbaters Harm Oosting en Toni Hoevers er weer een bloeiend zelfstandig hotel van gemaakt met de naam Boetiek Hotel BonAparte. Ook nadat het eigendom van het pand in 2021 in andere handen is overgegaan.

Maar in de hotelbranche zit tegenwoordig veel dynamiek: op 8 januari 2026 meldt de Berkelbode: