Koos Gerrit Dikkers
Op 17 april 2026 is op het adres Amelterweg 3 in Joppe een Stolperstein gelegd voor:
Koos Gerrit Dikkers (23 jaar)
Geboren 1922
Verzetsstrijder
Gearresteerd 3 februari 1945
Gedeporteerd vanuit de Kruisberg Doetinchem naar het concentratiekamp Neuengamme
Vermoord 13 maart 1945 in Wöbbelin
“We kunnen ons de luxe van het vergeten niet permitteren” (uitspraak van Tadeusz Borowski)
Saskia Goldschmidt heeft deze uitspraak overgenomen in haar boek “Na de oorlog”. De uitspraak van Borowski is een waarschuwing aan de tweede en derde generatie. De vele miljoenen slachtoffers stierven voor niets als er niet meer aan hen gedacht wordt. Zodra het gaat om iemand uit de onmiddellijke omgeving wordt de pijn groter en duidelijker.
Verzetsman Koos Dikkers is zo iemand. Zijn verhaal begint bij het verzetswerk en de onderduik bij Gerrit Slagman. De pijn voor iemand die onderduikt, ligt in het feit dat hij of zij niet meer kan beslissen over het eigen doen en laten. Anderen bepalen je leven. Uit persoonlijke verhalen blijkt dat de boerderij een toevluchtsoord voor een ieder in nood was. De zussen van Gerrit Slagman en hijzelf waren de echte medemensen voor Koos.

Zoals in elke oorlog zijn er anderen die jagen op tegenstanders. In de gemeente Gorssel speelde de SD uit Deventer een zeer kwalijke rol. 14 oktober 1944 werd Koos één van hun slachtoffers. Voor hem het begin van een weg vol met steeds erger wordende ellende.
‘s Morgens vroeg vindt er een brute overval plaats op de boerderij van Slagman. Veel geweld en uiteindelijk brandstichting. Op de “lijst
van arrestanten Slagman Harfsen” komen 15 namen voor. Allen worden in eerste instantie afgevoerd naar Deventer naar de beruchte landwachtkazerne met als commandant “de beul van Deventer”. Van wat Koos werkelijk heeft meegemaakt weten we weinig af. Een gevangenneming moet op zich al een traumatische ervaring geweest zijn met Duitsers en handlangers vol wraak in verband met de Geallieerde opmars in het westen. Koos wordt uiteindelijk overgeplaatst naar de Kruisberg in Doetinchem.
In de gevangenis De Kruisberg werden tussen 5 september 1944 en 27 maart 1945 honderden verzetsmensen en geallieerden door de SD gevangengehouden. Gezien de late ingebruikname van deze gevangenis, zal er weinig bekend zijn geweest van wat zich daar afspeelde. Karel Berkhuysen geeft een beschrijving van het leven in De Kruisberg: In elke cel van ongeveer 3,5 bij 4,5 meter worden zelfs 6 gevangenen opgesloten. De omstandigheden voor de gevangenen, dus ook voor Koos zijn slecht. Het dagelijks rantsoen bestaat uit een halve liter waterige soep en 200 gram brood. Ook wordt er veel gemarteld, Koos moet de pijnkreten en het schreeuwen hebben gehoord.
Omdat De Kruisberg eind januari 1945 overvol is, wordt een groep van 94 gevangenen gereed gemaakt voor transport naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Het transport, bestaande uit twee goederenwagons vertrekt op 2 februari 1945. Bij Winterswijk ontsnappen 17 gevangenen uit één van de wagons. Op 5 februari komt het transport in Neuengamme aan. Daar worden de 77 mannen ingeschreven onder de kampnummers 70890 tot en met 70972. Koos krijgt daar kampnummer 70970. Op 12 februari, een week na aankomst, werden velen opgedragen een nieuw kamp te bouwen in een moerasgebied. Uit verhalen van overlevenden is kamp Wöbbelin nooit afgebouwd. De barakken hadden geen deuren en ramen. Sanitair was er niet. Voedsel was er bijna niet. Het was de bedoeling van de Duitsers, dat er zoveel mogelijk gevangenen zouden sterven. Zo’n 1000 gevangenen zijn bezweken aan alle ontberingen.
Kamp Wöbbelin is voor meer mensen uit de Achterhoek het eindpunt van een helse tocht geweest. Koos komt op een verschrikkelijke manier om het leven. Ook Gerrit Slagman en dominee Anne Pasma hebben het daar niet overleefd.
Het is onze plicht om hen niet te vergeten.

