Zittende eenden bij een poel nabij boerderijen bij zonsondergang door Gerard Bilders 1862, ofwel: Een tweede molen in Zwiep
Als we het over de molen in Zwiep hebben, dan denken we meteen aan de molen van Evert Postel. Die molen is wijd en zijd bekend. Maar er is in het verleden nog een molen in Zwiep geweest. Dat was waarschijnlijk een molen van een geheel ander type: een standerdmolen.
Een dergelijke standerdmolen heeft in het verleden ook op de Paasberg in Lochem gestaan en ook binnen de muren van de stad Lochem, ongeveer waar nu de Schouwburg staat, stond lange tijd een standerdmolen. Het is het oudst bekende type Hollandse molen. De standerdmolen had een houten kast op een houten voet met een centrale spil (standerd), anders dan de meeste molens die we gewend zijn met hun stenen opbouw en hun rietgedekte kap met de wieken erboven.

Standerdmolen (rechts) van Pol Jonker op de Paasberg
In het beeldarchief van het Historisch Genootschap bevindt zich een zwart-wit afbeelding van een schilderij ‘Avondlandschap met boerenwoningen’ van de schilder Gerard Bilders (1835-1865). Op Internet wordt het schilderij benoemd als ‘Zittende eenden bij een poel nabij boerderijen bij zonsondergang’. In de aantekeningen in onze collectie staat bij de afbeelding vermeld dat het hier mogelijk gaat om de molen aan de Molendijk in Zwiep.
Zekerheid of het echt de Zwiepse molen is, is er niet. Maar Bilders zou het schilderij in 1862 gemaakt hebben tijdens of na zijn verblijf in Lochem. Hij verbleef in de zomer van 1862 enige tijd in de Lochemse herberg ‘Het Wapen van Amsterdam’. Een door hem niet als zo prettig ervaren verblijf vanwege de vele regendagen. Dat vermeldde hij tenminste in zijn brieven aan zijn welgestelde mecenas Johannes Kneppelhout. Uit deze brieven blijkt echter ook, dat hem uit de tijd in Lochem een indrukwekkend mooie zonsondergang was bijgebleven, die hij in een schilderij wilde vastleggen. En daarbij zou het om bovenstaand schilderij kunnen gaan.
De op het schilderij afgebeelde situatie kan kloppen, omdat volgens de kaart uit de Kadastrale atlas van Lochem uit 1832 in het Goor in Zwiep nog uitgebreide stukken moerasland aanwezig waren, net zoals op het schilderij.
Zoekend naar een mogelijke bevestiging van het vroegere bestaan van de molen bleek, dat de molen inderdaad staat afgebeeld op de wandelkaarten, uitgegeven door het Lochemse Verfraaiings-Gezelschap in de jaren 1899, 1903 en 1917. Op deze kaarten is ook te zien, dat de molen rond 1900 verplaatst is; van een plek bij boerderij Denneboom naar de Möllendiek.

Wandelkaart 1899 met de molen bij boerderij Denneboom.

Wandelkaart 1917 met de molen iets naar het noorden verplaatst.
Dat de molen heeft bestaan, is dankzij de kaarten van het Verfraaiings-Gezelschap wel duidelijk. Maar daarnaast blijkt er nog een bewijs te zijn. In een stuk tekst van Evert Postel (1893-1982), uit de tijd, dat hij nog als knecht bij zijn vader molenaar en bakker Willem Jan Postel op de Zwiepse molen werkte, schrijft hij dat hij de molen aan de Möllendiek heeft zien draaien. De tekst vertelt ook, waardoor de standerdmolen in ’t Goor destijds verdwenen is.
“Een eindje verderop stond er nog een molen bij de Möllendiek (op ’t Overlaar in Barchem)”. Evert kon vanaf de Zwiepse molen hiervan de wieken in de verte zien. Het was elke dag weer een ‘concurrentiestrijd’ tussen beide molenaars om als eerste de molen aan het draaien te hebben. Op een wat stormachtige dag vroeg Evert zich af, hoe ze op de Möllendiek zouden draaien; met of zonder zeilen. Toen hij eerst een wiek met vol zeil zag, dacht hij: “Nou, dee hebt em nogal wat too e-dach.” Toen meteen daarna de tweede ook met vol zeil tevoorschijn kwam en daarna de andere, dacht hij bij zichzelf: “Dat wodt mie toch net eets te gek.” En deed het zelf wat rustiger aan. De hele morgen hebben ze het op de Möllendiek volgehouden en tegen de middag toen Evert nog een keer keek, kon hij vanaf de stelling zien, dat de vlammen hoog boven de molen uit kwamen…. Wat bleek nu; doordat ze bij Möllendiek ook toch wel vonden, dat het wat te hard ging, hebben ze de vang (rem) erop gezet. Hierdoor is de hele zaak warmgelopen en in brand gevlogen. Deze molen is nooit meer opgebouwd.
De standerdmolen bij Denneboom en later bij Möllendiek was in gebruik als houtzaagmolen. Volgens de schrijvers van het boekje Veldnamen binnen de ruilverkaveling van Ruurlo (incl. Barchem en Zwiep) en in Mariënvelde waren ze op de molen bij Möllendiek meer timmerman dan molenaar. Ze zaagden dus voornamelijk voor eigen gebruik. En dat kan destijds heel wat zaagwerk hebben opgeleverd, want voor de bouw van boerderijen werd vroeger veel hout gebruikt. Denk alleen maar eens aan al de gebinten, die de boerderijen vroeger hun stevigheid bezorgden.
Op Denneboom woonden al lang timmerlui. In het Volkstellingregister van 1813 (in de tijd dat ons land door de Fransen in bezit genomen was) staat bewoner Jan Jansen vermeld als ‘charpentier’ (timmerman). Wat later, rond 1830, vinden we de timmerman Hermanus Kettelarij met zijn gezin op de Denneboom. Oudste zoon Hendrik Jan nam later het huis en het bedrijf over. Zo ging het ook bij de zonen van Hendrik Jan. Hier was het Jan Hendrik die op Denneboom bleef, terwijl zijn jongere broer Hendrik Jan iets verderop op Möllendiek ging wonen. Beiden staan vermeld als timmerman. Net als broer Egbert Jan, die op L 45 woonde.
Waarom de molen rond 1900 van de Denneboom naar de Möllendiek werd verplaatst, is niet bekend. Had dat met het vangen van voldoende wind te maken, of ging het hier om een andere oorzaak? Daar is tot nu toe niets over te vinden.
Bronnen
Derlagen, C. (2011). “Lochem een kunstenaarsdorp?”. “Hooggeachte Heer! Daar ben ik nu eindelijk te Lochem”, in: Land van Lochem, 2011-nr.2, p.22-28.
Afbeelding schilderij met dank aan Jaap Versteegh, kunsthandel Pygmalion te Maarssen
Albertus Gerardus (Gerard) Bilders (1838 – 1865) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar, aquarellist en etser. Zijn onderwerpen waren landschappen, dieren, portretten en stillevens. Hij wordt als voorloper van de Haagse School beschouwd. Bilders werkte een tijdje in Genève en woonde van 1859 tot 1865 in Amsterdam. Daar werd hij lid van Felix Meritis en volgde daar een opleiding aan de Akademie voor Beeldende Kunsten.

