De Ehze/Hoogenkamp/Ehzerwold
Zou er een kasteel langs de Berkel zijn waar nooit een van Heeckeren heeft gewoond? In elk geval niet De Ehze, want dat werd rond 1300 zelfs gebouwd door een Frederik van Heeckeren die dan ook als nadere aanduiding ‘van der Ese’ kreeg.
Van Heeckeren
Naamgeving was in die tijd niet erg vaststaand. De Ehze vinden we dan ook wel als Ese, Eze of Eese. En de oprichter bijvoorbeeld als ‘Frederick de Hekere’ of ‘Fredericus de Hijkere gezegd de Heza’. Van zijn bouwwerk zijn geen afbeeldingen bekend, maar het zal een middeleeuws karakter gehad hebben met misschien wel kantelen en een slotgracht.
De zoon van de stichter was eveneens een Frederik van Heeckeren (II), Hij was in een machtsstrijd verwikkeld met Gijsbert van Bronckhorst. Zoals Holland zijn Hoekse en Kabeljouwse twisten had en Friesland zijn Schieringers en Vetkopers zo had Gelre zijn Heeckerens en Bronckhorsten.
De Ehze was, via vererving en soms verpanding, zo’n twee eeuwen in handen van de van Heeckerens. De laatste was Agnes van Heeckeren van der Eze. Zij huwde Vincentius van Buren en overleed kinderloos in 1512.
De Eese op een plattegrond door Nicolaes van Geelkercken in 1643
Van Lintelo
Via veel geharrewar over de erfenis en enkele tussenstappen (van Coevorden, van Mervelt) vererfde het kasteel in 1567 aan het geslacht van Lintelo dat er ook bijna twee eeuwen zou wonen. Tijdens de tachtigjarige oorlog werd het grondig verwoest (1572). Nadat Evert van Lintelo het goed in 1597 van zijn oom Herman had geërfd liet hij in 1610 het huis herbouwen.
Deze Evert van Lintelo was een belangrijk man in het Graafschap Zutphen: zo was hij schepen van Zutphen, gecommitteerde ter vergadering der Staten-Generaal, Raad in het Hof van Gelre en Zutphen en gedeputeerde van het kwartier van Zutphen.
Zijn zoon Willem deed nauwelijks voor hem onder. Hij was bijvoorbeeld drost van Bredevoort, lid van de admiraliteit in het Noorder-Kwartier, scholtis van Lochem en raadsheer in het Hof van Gelderland. Deze Willem van Lintelo liet het huis in 1647 verfraaien. Over het resultaat werd in 1654 geschreven: ‘Bouwerschap ofte vlecke Eese niet wijd van Lochem en is nergens door vernaemd dan door het huys van den Heer Linteloe, ’t welk als voor een wonder van ’t Graeffschap word gehouden, ende, weghen syne wythsheyd, meer gelijkt op eene Vorstelijke dan op eens edelmans wooningh’.
De oudste afbeelding van deze edelmanswoning werd in 1717 gemaakt door het graveur/tekenaars-duo Stellingwerff/Berkhuys.
Het meestal wat betrouwbaarder duo Spilman/de Beijer legde ‘t Huis Eeze’ in 1743 nogmaals vast. Inmiddels was het in 1730 verbouwd en verfraaid.
Bij deze vorstelijke woning hoorde ook een vorstelijke tuin met een imposante en zeer uitgestrekte aanleg en een lanenstelsel dat zich uitstrekte van de Berkel tot ten noorden van het huidige Twentekanaal. Het landgoed omvatte bovendien 17 boerderijen en de Almense molen. De landerijen strekten zich uit van Almen tot aan Groot Dochteren en telden zo’n 500 hectare.
De meest spraakmakende van Lintelo op de Ehze was waarschijnlijk Everts achterkleinzoon Christiaan Carel van Lintelo. Die speelde in de vroege 18e eeuw een rol tijdens de Gelderse Plooierijen en de slag bij de Spitholterbrug en hij was speciaal gezant bij het Pruisische hof om na de dood van koning-stadhouder Willem III over diens nalatenschap te onderhandelen.
Christiaan Carels dochter Anna Maria Dorothea was tot 1768 de laatste van Lintelo op de Ehze. Zij was getrouwd met Maurits Carel George Willem van Ripperda en zij stierf kinderloos, waardoor de Ehze in handen kwam van haar neefje Adolph Werner Carel Willem van Pallandt. Die had al enkele andere kastelen in bezit en verkocht de Ehze in 1777 aan Ludolf Hendrik van Oyen.

Van Zuylen van Nijevelt
Er volgden voor de Ehze enkele decennia van wisselende eigendom en gestage neergang, totdat het landgoed met de verwaarloosde havezate in 1830 werd gekocht door Arnout van Zuylen van Nijevelt. Deze overleed al in 1835, maar zette een ingrijpende herinrichting van de tuinen in gang onder leiding van de beroemde tuinarchitect Johan David Zocher jr. De strenge opbouw van rechte lanen werd verruild voor een vloeiende landschapsstijl naar Engels voorbeeld.

Arnout en zijn echtgenote Maria Arnoudina Repelaer hadden twee zoons en drie dochters van wie zoon Jacob Pieter Pompejus en dochter Maria Hugonia waren meegekomen van Dordrecht naar Almen. Pompejus was een liberaal (eerste- en tweede-) kamerlid en diplomaat. Hij leidde in 1861/62 korte tijd (mede) het kabinet ‘van Zuylen van Nijevelt – van Heemstra’ en was minister van buitenlandse zaken en gevolmachtigd minister in Parijs. Hij zal minstens zo vaak in Den Haag of in het buitenland hebben verbleven als in Almen. De familie liet op het oostelijk deel van het landgoed een aparte villa bouwen en noemde die Hoogenkamp. Mogelijk speciaal bedoeld voor Pompejus en zijn (eerste) vrouw Francina Willemina Maria Schas met wie hij in 1841 trouwde. Moeder Maria en dochter Maria bleven op de Ehze wonen.
Toch leverde de boedelscheiding na het overlijden in 1857 van hun moeder op dat de Ehze werd toebedeeld aan Pompejus en de Hoogenkamp aan zijn zus Maria.
Burgemeesters
Beide huizen op het oorspronkelijke landgoed de Ehze herbergden vervolgens burgemeesters van Gorssel. Maria Hugonia van Zuylen van Nijevelt trouwde met Karel Gerrit Willem van Wassenaer en zij bleven, ook na het overlijden van moeder Maria, wonen op de Ehze. Hun dochter Marie Aroundine Francoise trouwde met Allard Philip Reinier Carel van der Borch van Verwolde die burgemeester van Gorssel was van 1872 tot 1887. En hun zoon Otto van Wassenaer volgde zijn zwager op en was burgemeester van Gorssel van 1887 tot 1911. Om het nog ingewikkelder te maken: van der Borch trouwde vervolgens met Paulina Adriana Jacoba van Zuylen van Nijevelt, dochter van ‘Pompejus’. Zij woonden op de Hoogenkamp.
Van Wassenaer
De Haagse besognes van Pompejus van Zuylen van Nijevelt legden allengs zo’n beslag op hem dat hij Almen achter zich liet. Hij overleed in 1890 in Den Haag. Al in 1866 had hij zijn erfdeel verkocht aan zijn zwager Karel van Wassenaer, waarmee De Ehze en Hoogenkamp weer in één hand kwamen. Van Wassenaer bracht diverse aanpassingen en verbeteringen aan, met name in de inrichting van het landgoed. Daarbij voltooide hij onder meer het eerdere landschapsontwerp van Zocher dat bij de dood van schoonvader Arnout was blijven liggen. Ook liet van Wassenaer het huis zelf restaureren.
Na zijn overlijden erfde dochter Jacqueline Cornelie de Ehze en zoon Otto de Hoogenkamp. Otto van Wassenaer en zijn gezin bewoonden ook daadwerkelijk zijn erfdeel deHoogenkamp tot zijn dood in 1911. Jacqueline en haar gezin woonden elders en zij verkocht de Ehze aan Willem Carel Gerard van Welderen Rengers die er met zijn gezin tot zijn overlijden in 1898 zou wonen. Het gezin van Welderen Rengers had een zoon Sjuck Gerrold die trouwde met Otto’s dochter Maria Hugonia van Wassenaer. En een andere zoon Willem Lodewijk zou burgemeester worden van Laren.
Janssen
Na de eeuwwisseling zou de naar Almen gekomen Clara Elisabeth Janssen grote veranderingen teweeg brengen op zowel de Ehze als Hoogenkamp. Zie het artikel over haar op deze site. Wij beperken ons hier tot de bouwkundige veranderingen.
Met haar eerste echtgenoot Derk Jacob van den Honert betrok zij in 1905 de Ehze dat ze had gekocht van de weduwe van Welderen Rengers. Ze lieten dat opknappen tot een statig, maar enigszins somber gebouw.

Met haar tweede echtgenoot Pieter Leendert van der Harst verbouwde zij de Ehze in 1917 opnieuw en ingrijpend. Het bestaande pand werd tot op de kelders afgebroken en vervangen door een villa in Engelse landschapsstijl naar ontwerp van gemeentearchitect A.J. Janssen.
P.W. Janssen ziekenhuis
Nog veel ingrijpender was de verandering die het echtpaar Van der Harst-Janssen tot stand bracht bij de Hoogenkamp die zij na het overlijden van Otto van Wassenaer in 1911 hadden verworven. Daar realiseerden zij de droom van homeopathisch arts van der Harst door er een compleet ziekenhuis te laten bouwen. Dat werd in 1915 geopend als ‘P.W. Janssen ziekenhuis’ als eerbetoon aan Clara Elisabeths vader van wie haar ruime vermogen afkomstig was.
Van der Harst wordt de eerste geneesheer-directeur. Maar de verliezen waren groot. Het werd door het echtpaar aan de gemeente Amsterdam geschonken, die het na een jaar alweer overdeed aan de gemeente Deventer. Zo werd in 1921 het algemeen ziekenhuis al na enkele jaren functioneren sanatorium, in het bijzonder voor onbemiddelde tuberculosepatiënten.
Hotel Landgoed Ehzerwold
Na de sluiting van het sanatorium in 1993 was er onder andere een asielzoekerscentrum gevestigd. In 1998 werd het als ‘Landgoed Ehzerwold’ een locatie voor vergaderingen, trainingen en conferenties. Na de samenvoeging van Gorssel en Lochem in 2005 leek het even het ideale ‘middelpunt’ voor een gemeentehuis van de nieuwe gemeente, maar na diverse aanpassingen en uitbreidingen werd het uiteindelijk juist compleet hotel.
Vellinga
Bij hun vertrek rond 1920 had het echtpaar Vander Harst – Janssen niet alleen het sanatorium, maar ook de Ehze vaarwel gezegd en te koop gezet. Het landgoed werd in gedeelten verkocht waarbij het huis in handen kwam van Klaas Vellinga, getrouwd met Jetske van der Woude. Tot 1986 zou het in bezit van de familie blijven, maar gebruikt worden door verschillende huurders en voor verschillende doeleinden. Voor de oorlog werd er met weinig succes een theeschenkerij geëxploiteerd, Tijdens de oorlog had de Stichting Hoenderloo er een instelling voor jeugdzorg totdat er Duitse en later Canadese manschappen werden ondergebracht. Na de oorlog was het vakantie- en herstellingsoord, vanaf 1960 werd er blindeninstituut Bartimeus gevestigd en vanaf 1972 was het verpleeg- en verzorgingstehuis.
In 1986 droeg Trijntje Teatske van Ewijck van de Bilt – Vellinga, dochter van Klaas, de Ehze over aan stichting Het Geldersch Landschap. Gezien haar doelstelling richt die stichting zich met name op de nog resterende 11 hectaren van het landgoed. Het huis is verhuurd voor een vestiging van De Herbergier, een tehuis voor mensen die 24-uurszorg nodig hebben.